Schaatsprobleem

Het sportprogramma Bureau Sport laat bekende Nederlanders een race over 100 meter schaatsen tegen oud-wereldkampioen sprint Jeremy Wotherspoon.

Wotherspoon klokt na 100 meter 9,60 seconden. De bekende Nederlander klokt 13,41 seconden over diezelfde 100 meter.

Hoeveel meter ligt de bekende Nederlander achter na 100 meter? Rond af op hele meters.

Dit vraagstuk staat in één van de afgelopen 3F examens (MBO niveau 4), en ik heb ‘m geselecteerd op een korte ’toets’ om te zien hoe leerlingen om gaan met dit soort examenvragen.

Ik kom er dan toch weer achter hoe belangrijk het is hoe een vraag is verwoord. Ik was van tevoren namelijk al van mening dat de manier waarop de vraag is gesteld, open staat voor interpretatie.

Blijkbaar had ik gelijk, want ik zie een drietal antwoorden met grote regelmaat voorbij komen (0 meter, 28 meter en 40 meter).

En ik vind voor alle drie wat te zeggen. En dat vind ik dus niet goed.

Ruimte voor interpretatie hoort niet op een examen som. Daar kun je wat van vinden, maar persoonlijk vind ik nog steeds dat we rekenvaardigheid moeten toetsen, en niet leesvaardigheid.

Ik heb leerlingen gevraagd mij te vertellen hoe ze aan hun antwoorden zijn gekomen. Het volgende kwam naar boven:

Bij het antwoord ‘0 meter’ beredeneren leerlingen dat, wanneer de bekende Nederlander over de streep komt na 13,41 seconden, Jeremy Wotherspoon daar op ‘m staat te wachten, en dan zijn ze dus allebei 100 meter ver, en is er geen verschil meer. Klinkt raar? Ik vond het best slim bedacht (verplaats je ook even in de gedachten van mijn niveau 4 MBO leerlingen, mocht je het echt klinkklare onzin vinden…).

Bij het antwoord ’40 meter’ bedenken leerlingen dat Jeremy Wotherspoon op volle snelheid door schaatst na het passeren van de 100 meter lijn (en dus 13,41 – 9,6 = 3,81 seconden lang zijn gemiddelde snelheid blijft rijden).

En bij het (correcte) antwoord ’28 meter’ berekenen ze op het moment dat Wotherspoon de 100 meter lijn passeert, hoe ver de bekende Nederlander is.

Dat is overigens 100 : 13,41 ( = de gemiddelde snelheid van de bekende Nederlander) x 9,6 seconden (de tijd waarop de wedstrijd in principe over is, omdat Wotherspoon dan finisht). In de meeste gevallen halen de leerlingen dan deze afstand af van de 100 meter (en genoeg anderen vergeten dat er gevraagd is hoeveel meter de bekende Nederlander achter loopt).

Mijn voorstel: verwoord de vraag anders.

Hoeveel meter ligt de bekende Nederlander achter op het moment dat Jeremy Wotherspoon 100 meter heeft geschaatst?

2 gedachten over “Schaatsprobleem”

  1. Ik heb wel uitgerekend hoe ver de bekende Nederlander achterlag op het moment dat Jeremy Wotherspoon de finish bereikte. Mijn antwoord was echter 30, omdat ik niet kan afronden op hele meters

  2. Afronden is ook iets wat vaak wordt onderschat. Het lijkt zo makkelijk (of niet…?), maar valt soms toch wel een beetje tegen.

    Afhankelijk van de vraagstelling kan het prima voorkomen dat je bijvoorbeeld 2,1 moet afronden naar 3, terwijl dat behoorlijk onnatuurlijk aan kan voelen.

    Mark.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *